ICONIC ARCHITECTURE: CAM Gulbenkian - een luifel die het museum verbindt met de tuin en de stad
Publicatiedatum: 12.05.2026
Dit is een herwerkte vertaling van een origineel artikel geschreven door Luís Filipe Fernandes
Het architecturale complex van de Calouste Gulbenkian Foundation profileert zich al sinds zijn ontstaan als een geïntegreerd geheel van gebouw en tuin, en is uitgegroeid tot een modern cultureel en recreatief symbool in de stad Lissabon. De bouw van het CAM (Centrum voor Moderne Kunst) in 1983, naar een ontwerp van Leslie Martin, met als doel de collectie hedendaagse kunst van de Stichting te huisvesten, was op zich weliswaar een uniek project, maar slaagde er niet in deze relatie volledig door te trekken. Het gebouw werd dan ook omschreven als introvert, ruimtelijk star en beperkt wat betreft de eisen die het tentoonstellen van hedendaagse kunst stelt.

Een oude belofte werd nagekomen door de aankoop van de aangrenzende percelen ten zuiden van de Stichting en zo werd de weg vrijgemaakt voor een ingrijpende verbouwing: de uitbreiding van de tuin en de herinrichting van het CAM-museum. Door de samenwerking met OODA en VDLA, won het bureau Kengo Kuma & Associates de internationale wedstrijd. Zij stelden niet alleen een formele renovatie voor, maar zochten ook naar een constructieve herinterpretatie van het bestaande gebouw.

Het project, dat voortbouwt op het Japanse concept van engawa – een tussenruimte tussen binnen en buiten – krijgt vorm in een doorlopende luifel die de zuidgevel hertekent en een nieuwe publieke voorzijde creëert. Met een lengte van ongeveer 107 meter vormt deze structuur het technisch meest veeleisende element van het project: een overkapping met een gebogen geometrie ontworpen als een licht maar uitgestrekt oppervlak, dat licht, schaduw en publiek gebruik kan reguleren.
De uitvoering ervan omvatte een iteratief proces tussen architectuur en bouwkunde, met inbegrip van laboratoriumtesten en de bouw van schaalmodellen op ware grootte om bouwtechnische oplossingen en materiaalprestaties te testen. Dit gebruik van prototyping weerspiegelt een benadering die nauw aansluit bij de Japanse bouwtraditie, waarbij het ontwerp door middel van concrete experimenten wordt verfijnd.
Vanuit materiaaloogpunt brengt het project een expliciete dialoog tot stand tussen Portugal en Japan: hout – een terugkerend materiaal in het werk van Kuma – wordt gecombineerd met keramische tegels, die als doorlopende bekleding van de luifel zijn aangebracht. Het dak, samengesteld uit duizenden keramische elementen, weerspiegelt een modulaire logica die het mogelijk maakt het oppervlak aan te passen aan de rondingen, terwijl tegelijkertijd duurzaamheid wordt gewaarborgd en een beschermde overdekte ruimte wordt gecreëerd.

Ook binnen is de ingreep van structurele aard : de circulatie wordt heringericht, routes worden verduidelijkt en er worden nieuwe tentoonstellingsruimten gecreëerd, waaronder ondergrondse zones die de capaciteit van het museum aanzienlijk vergroten. Deze herinrichting speelt rechtstreeks in op de beperkingen van het oorspronkelijke gebouw en brengt het dichter bij een flexibeler en eigentijdser museografisch model.
Het is echter in de relatie tussen binnen en buiten – met name in de aansluiting op de herontworpen en uitgebreide tuin – dat de logica van het project het krachtigst tot uitdrukking komt. De engawa-luifel fungeert als een middel tot continuïteit tussen binnen en buiten, maar ook als infrastructuur: een ruimte voor verblijf en sociale interactie, met het potentieel om een uiteenlopend programma aan activiteiten te huisvesten. Zoals Kengo Kuma opmerkt gaat het om “een andere manier om de tuin te beleven”.
Toch blijft de vraag bestaan of dit grootse gebaar wel effectief is : dit hangt immers minder af van de formele aanwezigheid ervan dan van de manier waarop het in gebruik wordt genomen. De schaal en technische complexiteit van de luifel plaatsen haar in het hart van het project, maar maken tegelijk haar kwetsbaarheid zichtbaar: als ze niet gebruikt wordt, dreigt ze louter een overdekte ruimte te worden; wanneer ze daarentegen wordt ingevuld via een doordacht programma, heeft ze het potentieel om zich te vestigen als een volwaardige publieke ruimte.
Tussen de bouwkundige precisie – getest via mock-ups en tot in detail uitgewerkt – en de onzekerheid omtrent haar toekomstige gebruik, bevindt het nieuwe CAM zich momenteel in een tussengebied. Net als de term engawa , is het een project dat vooral in dit tussengebied bestaat : tussen architectuur en landschap, tussen formaliteit en het potentieel dat inherent is aan de manier waarop het in gebruik wordt genomen.

Alle afbeeldingen: © Pedro Pina